Alternatieve kankertherapiën.
 
 

© 1980-1995 by Dr. H. Rosenberg.



 
 
 

Homepage GOEDKOSJERâ
Overpeinzingen
Homepage Consistoire Benelux.
Alternatieve kankertherapiën
English Articles
Homepage 
Dr. H. Rosenberg

De hier afgedrukte artikelen handelen over medisch gefundeerde therapiën voor kanker en aanverwante pathologiën en maken deel uit van de would-be magna opera van de auteur die er meer dan 15 jaren aan heeft gewijd (1980-1995). Gelet op de andere dwingende professionele bezigheden van de auteur, dreigt deze oeuvre een onafgewerkte te blijven. Om deze reden wordt het beschikbare deel langs deze weg aan leer- en nieuwsgierigen aangeboden, met dien verstande dat het manuscript nog niet voor publicatie was afgewerkt, wat bepaalde lacunes en onvolmaaktheden rechtvaardigt.

ENZYMTHERAPIE.
(CARCINOLYTISCHE FERMENTTHERAPIE)








[Bronnen: GASCHLER, A., Die parentale Fermenttherapie maligner Tumoen und chronischer Entzuendungszustaende. Karl F. Haug Verlag, Ulm/Donau, 1954.
DYBILLA, R., Die bestimmung des proteolytischen Potentials des Blutes nacc GASCHLER und ihr Wert als Karzinom-Diagnostikum. Dtsch. med. Journal, H. 9/1960].
 
 

A. Proteolytische Enzymtherapie.
_______________________________
 

Historiek.

De eersten die de enzymtherapie in boosaardige gezwelziekten verwendden (zonder weliswaar het biologische verband te kennen) waren de Indianengenezers, die papayablaren op bepaalde wonden en tumoren oplegden. Dit was een vorm van lokale enzymtherapie met papaine, de enzym uit papaya carica.

In 1820 gebruikte PHYSICK (1) in Philadelphia voor het eerst proteolytisch enzymen door aan zijn patiënten fermentrijk maagsap toe te dienen. Uit dat maagsap isoleerde SCHWANN (2) in 1836 pepsine.

In 1871 behandelde PURDEN (3) en later in 1888 DOUGLAS (4) ulcereuze kankers met pepsine uit maagsap.

Het is echter pas in 1902 dat de enzymtherapie in de kankerbestrijding een doorslaggevende doorbraak kende met de embryoloog John BEARD (5) die kankerpatiënten met dierlijke pancreasfermenten behandelde. In 1906 gebruikte hij trypsine, amylopsine en andere onbekende fermenten uit de pancreas.

In 1911 verschijnt zijn boek "The Enzyme Treatment of cancer" (6), dat een groot succes wordt en tevens een stimulans voor wereldwijd interesse voor de enzymtherapie in neoplasmebehandeling.

Een groot aantal geneesheren bevestigden de bevindingen van BEARD en diens therapeutische successen met verse pancreasfermenten: CAMPBELL, GOETH, DUPREY, CURTEFIELD, DONATI, MARSDEN, MEGGIT, CLEAVES, SHAW McKENZIE, LITTLE, GUARRADINO, MANTO, LAMBELLE en BAINBRIDGE (7).

HALD (8), PUSEY (9) en BLUMENTHAL (10), boekten van hun kant successen met intatumorale trypsineïnspuitingen bij kankerzieken.

Met de productie van enzymen in kristalvorm, eerst in 1926 met urease door SUMMER (11), dan in 1930 met pepsine door NORTHROP (12) en uiteindelijk met trypsine door NORTHROP en KUMITZ, werd de basis gelegd voor een therapie op grote schaal, waaruit tevens de neveneffecten zoals toxiteit en koortsreacties door het kwaliteitsgebrek en het pyrogeengehalte van de totnogtoe gebruikte verse pancreasextracten werden verbannen.
 

Werkingwijze.
 

Inleidende begrippen: wat zijn enzymen?

Eerst enkele woorden over enzymen. Een enzym (of ferment) is een oplosbaar, macromoleculair, organisch en thermolabiel catalysator, dat door een levende organisme geproduceerd wordt. Alle totnogtoe bekende enzymen zijn eiwitstoffen en kunnen met een bepaalde methode (techniek) uit weefsel en cellen geïsoleerd worden. De meeste fermenten bestaan uit een apoenzyme (dat steeds een eiwitstof is) en een coenzyme. Samen vormen ze het actief ferment, de holoenzyme.

Wat de nomenclatuur betreft eindigen ze allen op het suffix -ase, uitgez. trypsine, chymotrypsine en pepsine.

Enzymen zijn opgebouwd uit aminozuren in het organisme zelf: het zijn dus proteïnen. Ze helpen de metabolische processen op gang houden en hun aan- of afwezigheid is bepalend voor de te volgen metabolische weg. De afwezigheid van slechts één enzym kan zware gevolgen hebben, zoals bvb. bij fenylketonurie het geval is. Hier ontbreekt het 4-monoöxydase dat onontbeerlijk is voor de synthese van phenylalanine en een ophoping van het "phenyl pyruvic acid", hetgeen bij kinderen mentale retardatie kan veroorzaken, cfr. fig. 4.3.

Enzymen zorgen tevens voor een efficiënter verloop van de reakties. Ze treden nl. op als katalysatoren voor de chemische reakties. Ze versnellen de reakties en kunnen reakties laten verlopen bij een lagere temperatuur dan indien ze er niet moesten zijn. Het organisme heeft bijgevolg ook minder energie nodig.

Verder verhogen ze de efficiëntie door de hoge specificiteit tussen het enzyme (= E) en zijn substraat (= S). E capteren specifiek bvb. twee molekulen en brengen ze zodanig bij elkaar dat een reaktie er het logische gevolg van is. Daarna laten ze het gevormde molekule los en blijven onveranderd achter.

E kunnen zowel de synthese als de afbraak van substanties katalyseren.
De specificiteit der E is te wijten aan hun oopervlakte configuraties, waar enkel specifieke substraten op passen zoals een slot-sleutel systeem. Enzymen die twee substanties zodanig bij elkaar brengen dat ze reageren, worden allosterische enzymen genoemd.

Therapeutisch zijn volgende enzymen bekend:

-chymotrypsine: een trypsine die door de pancreas uitgescheiden worden.

pepsine: wordt door de maag afgescheiden.

kathepsine wordt door de lever en witte bloedcellen geproduceerd.

papaine wordt uit de carica papaya-plant gewonnen.

bromelaine: uit de ananas (13).

ficine: uit vijgen.

plasmine is het in het menselijke bloed aanwezige proteolytisch enzume dat instaat voor de afbraak van fibrine (14).

lipasen zijn een subgroep van de estereolytische enzymen en staan in voor de ontbinding van vetten in vetzuren en glycerine.

nucleasen zijn in pancreas, lever, darm, nier en milt voorhanden en zorgen voor de afbraak van polynucleotiden in nucleosiden.

amylasen zijn amylolytische enzymen uit pancreas en darm, die zetmeel en glycogeen tot monosacachariden herleiden.

arginasen

asparaginasen

De eigenlijke werking van die fermenten op het tumorgebeuren (dat empirisch bewezen werd en vaststaat) was echter nog niet verklaard.

Dank zij de ontdekkingen enerzijds van FREUND (15) in 1934 in bloed en urine van gezonde (kankerloze) mensen van bepaalde chemische substanties, die de eigenschap hebben kankercellen te vernietigen, en anderzijds dank zij de verdere ontdekkingen van FREUND-KAMINER (16) dat bij kankerpatiënten deze substanties niet alleen ontbreken, maar dat tevens een verdedigingsmechanisme in kankercellen schijnt te bestaan die deze vernietigingssubstanties uit gezond sera tegenwerken, heeft men klaarheid bekomen in het werkingsmechanisme van de proteolytische enzyme.

Zowel KRETS en BENDA (17) in 1936 als KLEIN en LUSTIG (18) konden dat bevestigen.

Het actief bestanddeel van deze "scheikundige substanties" van FREUND, werden later door CHRISTIANI in 1937 geïsoleerd als zijnde een proteolytisch-lypolytisch enzym, dat hij "lösungsferment" (oplos-enzym) noemde. Zijn "lösungsferment" was weldegelijk aanwezig in de sera van gezonde mensen en niet voorhanden in de sera van kankerpatiënten. Later ontdekte CHRISTIANI (19) ook de door FREUND-KAMINER gesuggereerde verdedigingsstoffen in kankersera ("schutzstoffen"), die zich verzetten tegen de "lösungsfermenten" uit gezond bloed en urine.

Voorts toonde CHRISTIANI aan dat het cholesterineester (butiraan, succinaat) die verdedigingseigenschap bezit.

Hij vond echter ook een "entaktivator", dat in vitro de "schutzstoffen" kon neutraliseren: 7-dehydrocholesterine. Deze laatste stof kon verder teruggevonden worden in alle weefsels (behalve in de thymusklier) van gezonde mensen.

Bij kankerlijders vindt men deze stof niet terug in de tumormassa of in het aangetast orgaan. In de andere tumorvrije organen vindt men die stof wel terug maar in de chemisch niet-actieve vorm van lacton, zodat het niet (meer) de eigenschap heeft de "schutzstoffen" te neutraliseren.

Door dan gezond serum (met "lösungsfermenten" en "entaktivator") in vitro te mengen met ziek bloed (dat alleen de "schutzstof" bezit) heeft men vastgesteld dat de kankercellen als het ware opgegeten werden door de gezonde. de proteolytische fermenten (of proteïneverterende fermenten) doorbreken de glycoproteïnebeschermlaag van de kankercel, nadat de "entaktivator" de "schutzstof" buiten werking heeft gezet en vernietigen zo de kankercel.
 

1. CARZODELAN FORTE®
 

In 1938 had GASCHLER (20) zich reeds bezig gehouden met kankerbehandeling door enzymen. Hij had een middel samengesteld CARZODELAN® dat bestond uit nucleasen, en chymotrypsine en dat wegens de oorlogsomstandigheden pas in 1948 klinisch kon getest worden.

Dit gebeurde in de Berlijnse Charité-kliniek en de eerste experimenten gaven meer dan voldoening zodat hij overging tot het perfectioneren van zijn middel en tot het uitdokteren van juiste toedieningsmiddelen en -dosage.

Uit zijn biochemische kennis van tumoren wist hij dat men bij kanker niet alleen een tekort aan proteolytische bloed- en weefselfermenten, maar tevens aan nucleasen, lipasen, catalasen en oxydo-reductasen (21) had.

Dat de toediening van deze stoffen aan kankerzieken van therapeutisch belang kon zijn, lag voor de hand en hij nam ze dus in zijn middel op.

Hij opteerde verder voor de parentale toedieningswijze van 0,5 tot 1 mg omdat hij daarmee de beste klinische resultaten behaald had.

IMERFELD et al. (22) hadden gewezen op de rol die trypsine speelt in de stimulatie van de aanwezige proteolytische fermenten en dus een versterking van de fagocytose en van de ontbinding der kankerafbouwstoffen.

GASCHLER (23) was er echter van overtuigd dat trypsine een cytotoxische invloed op de kankercel slechts dan kon hebben, als ze gecombineerd wordt met desoxyribonucleasen. Die combinatie tussen trypsine en desoxyribonucleasen komt dan ook in zijn preparaat voor. Het impact van zijn geneesmiddel versterkte hij nog door toevoeging van lipasen en amylasen.
 

De eerste  klinische proeven werden met het CARZEDOLAN-preparaat gevoerd in de chirurgische Charite-kliniek in de afdeling van Prof. SAUERBRUCH, alsook in de stralenafdeling van dezelfde kliniek in de dienst van Prof. Dr. FRICK. Het volgende bleek: kleine dosissen CARZODELAN  (0,5 tot 1 mg volume aan proteolytische fermenten) om de twee dagen uingespoten, veroorzaken hoe dan ook een verbetering van de algemene toestand. Dergelijke kleine dosissen konden een lupuscarcinoom tot vlugge verbetering leiden, waarbij de patient twee jaar recidiefvrij bleef. Een tonsillencarcinoom met sterke groeitendens en halskliermetastasen kon na drie weken behandeling reeds stationair verklaard worden. Zowel de halsklierzwellingen als de primaire tumor namen af. Bij meerdere lymfatische leucemien kwam het na een enkele CARZODELAN-injectie tot een spectaculaire daling in het verhoogde lymfocietenaantal en in een geval kwam het zelfs tot een vlugge afbouw van een leukemisch ulcus, die voordien door Roentgenbestraling niet kon worden genezen.
 

Samenstelling:

Proteasen 2,5 i.E
Lipasen 10 i.E
Amylasen 20 i.E

Bovenstaand enzymatisch complex is verder gecombineerd met nucleasen (ribonucleasen en desoxyribonucleasen) en voorzien van een drager die de proteolytische enzymen activeert (trypsine).

Producent:

Pharma Laboratorium S.M. Gaschler
899 LINDAU-BAD SCHACHEN (Bodensee) BRD
Tel. 08382-5306

Toedieningswijze: i.m. of intraglutinaal, ook als aerosolinhalaties.
 

2. WOBE MUGOS®.
 

Onafhankelijk van CHRISTIANI (24) was ook WOLF (25), een medewerker van GASCHLER, tot de bevinding gekomen dat bepaalde proteolytische enzymen selectief kankercellen konden vernietigen.

SAGIROGLU (26), WOLF et al. (27) en HOELTZL WALLACH (28) bewezen dat ook bepaalde proteasen uit het planten- en dierenrijk eveneens kankercellen selectief konden aanvallen.

WOLF et al. (29) onderzochten alle mogelijke proteasen naar hun oncolytische eigenschappen en kwam tot de bevinding dat de onderlinge combinatie van de meest actieve fermenten een sterker oncolytisch effect kan teweegbrengen dan het totaal van de individuele oncolytische potentialen der colmponenten.

Na talrijke klinische testen kwam hij tot het preparaat WOBE MUGOS®, een combinatie van proteïneverterende fermenten die als meest doeltreffend bevonden werd.

Het nieuw bekomen preparaat werd in vitro toegediend aan gezonde celculturen en deze bleken geen celvernietigende invloed te ondergaan van de WOBE MUGOS® en in bepaalde gevallen werd de groeirytme der (gezonde) cellen zefs gestimuleerd.

Bij toevoeging echter van WOBE MUGOS® aan kankercelmilieu, desintegreren de kankercellen om volledige cytolyse binnen de 24 u. te ondergaan.

De WOBE MUGOS\® blijkt echter ook de fibrinolyse te stimuleren (30). Dit werd in vitro aangetoond door BAYERLE (31). Die fibrinolyse is in kanker immers geblokkeerd door de verhoogde werking van thromboplasmine en antiplasmine (een remmer van de fibrinolyse) die door THORNES et al. (32) vastgesteld werd.

Door echter proteolytische enzymen in het kankercelmilieu te brengen, kon THORNES de fybrinolytische activiteit herstellen.

De WOBE MUGOS® herstelt dus eerst de fibrinolyse (door de in kankercel aanwezige fibrinolyseremmers op te heffen), grijpt vervolgens de kankercel aan en lost deze op zonder de gezonde cel te schaden.
 

Therapiesuccessen.

RILLING (1) rapporteert over  de significante therapiesuccessen met het WOBE-MUGOS-preparat bij 107 statistisch verwendbare patienten met mamma-carcinoom na  mastectomie,met WOBE-MUGOS nabehandeld en  waarvan 90 (d.i. 84%)  na vijf jaar nog in leven waren. Vergeleken bij de normale vijfjaar-overlevingsgrens (Duitsland 48%, Mayo-kliniek 43%) is het verschil meer dan significant.
 

(1) RILLING, S., Nicht toxische ..., o.c., p. 107.


Ook ovarium-carcinoom, corpus-carcinoom, colon-carcinom, blaas- en prostaatcarcinoom, hypernefroon, maagcarcinoom, colon- en rectumcarcinnom reageren goed op het middel. Tevens pancreas-, bronchiaal- en loncarcinomen alsok carcinom van neus-keel-oor, huid, M. Hodgkin. (1). RILLING (2) kon biotonometrische bevestiging krijgen van de doeltreffendheid van het preparaat.
 

(1) WOLF, M., RANSBERGER, K., Enzymtherapie. W. Maudrich Verlag Wien 1970.

(2) RILLING, ., o.c., p. 108.

SCHUMANN (1), zich steunend op het werk van WOLF en RANSBERGER (2), verslaagt in vitro experimenten, waarbij bij  hoge WOBE-MUGOS-toedieningen (1,25 mg/ml) vastgesteld werd  dat na 48 uur tumor- en normaalcellen en lichte zwelling vertonen, die zich bij toenemende WOBE-MUGOS-concentratie sterker wordt. Alleszins stopte de tumorgroei en de daardoor vrijkomende ruimte vulde zich met grote dicht gegranulerde cellen. Normal weefsel in dezelfde cultuur vertoonde smallen vetdruppels in het cytoplasma  en was anderzijds in een betere toestand dan het tumorweefsel.

Op de derde dag, na de tweede toediening van WOBE-MUGOS, voltrok zich na dertig minuten en scherp inzettende afbraak van tumorweefsel: twee a drie celrijen an de periferie van de tumor trokken zich samen tot een soort stang die uiterst compact werd naarmate de WOBE-MUGOS-concentratie opgevoerd werd en die daarentegen losser werd bij lagere concentraties.

Na 14 dagen waren de tumorcellen extreem gegranuleerd met veel zwemmene cellen en celvrije ruimtes in het celverband. Dit s een bewijs voor de afbraak van tumorweefsel door het enzympreparaat. Het normale weefsel bleef verder  met  vetdruppels en vacuolen (celholruimten) aan haar ondergrond vastgehecht.

Het opvallende verschil tussen tumor- en gezond weefsel lag hierin dat bij hoge WOBE-MUGOS-concentraties (30-32 g gamma/ml) de tumorcellen vele vacuolen hadden met onregelmatig gegranuleerde 'Ablagerungen' in lange rijen in het cytoplasma, rond of zelfs over de celkern. Gezonde met WOBE-MUGOS behandelte  cellen daarentegen wezen maar weinig vacuolenen geen kernachtige insluitingen, zoals deeze bij tumorcellen waar te nemen waren. Deze insluitingen kunnen als symptomen van de celbeschadiging aanzien worden.

In de onbehandelde  controle-weefselculturen woekerde het carcinoom onverminderd voor en konden deze insluitingen in de cellen (symptoom van celbeschadiging) niet waargenomen worden.

SCHUMANN rapporteert ook over klinische sucessen met de therapie en kon bij intratumorale toediening van WOBE-MUGOS de tumorafbouw waarnemen. Bij tumoren die aan omringend weefsel is ingenesteld, kon hij onder invloed van de enzymtherapie het loskomen van het tumorweefsel vaststellen, wat een voordien niet-operabele tumor vatbaar kon maken voor heelkundig ingrijpen.

De therapie -die tientalle jaren kan aangehouden worden- heeft tevens een profylaxisch effect en tast ook metastasen aan waar zij zich ook mogen bevinden.
 

(1) SCHUMANN,H., Erfolgreiche Krebsbehandlung, Veritas-Verlag, Linz-Wien-Passau, 1978, . 133.

(2) WOLF, M., ANSBERGER, K., Wirkung proteolytischer Enzyme, MUGOS-Emulsionsges. m.b.H..

Samenstelling:

100 mg WOBE MUGOS®:

proteolytisch enzymen uit gefractureerd hydrolysaat uit:
rundspancreas 8 mg
kalfsthymus 4 mg
pisum sativum 4 mg
lens esculenta 4 mg
papayatine 2 mg
mannitol ad       100 mg
 

Toedieningsvorm:

parentaal, intratumoraal, oraal, als enema of suppo en oraal in de vorm van tabletten en darmoplosbare dragees en uitwendig als zalf.
 

Producent:

Mucos Emulsionsgesellschaft m.b.H.
Nördli. Münchener Strasse, 20
8022 GRÜNWALD - BRD
Tel.: (089) 649 27 41.

 
Voetnoten.
 

(1) PHYSICK, P.S., in S. Salis-COHEN, Pharmacotherapeutics D.A. Appleton, N.Y., 1928.
(2) SCHWANN, T., Müllers Arch. ges. Physiol., 90 (1836).
(3) PURDEN, H.B., Medical Times a. Gazette, 1, blz. 685 (1871).
(4) DOUGLAS, H.B., Med. Rec., 34, blz. 730 (1888).
(5) BEARD, J., Amer. med. Ass., 38, blz. 445 (1906).
(6) BEARD, J., The Enzyme Treatment of Cancer and its Scientific Basis, Chatto a. Windus, London, 1911.
(7) CAMPBELL, I.T., Trypsin Treatment of Malignant Disease, J. Amer. Med. Ass., blz. 1030 (1907).
GOETH, R.A., Pancreatic Treatment of Cancer witrh Report of a Cure, J. Amer. Med. Ass., 23, blz. 3 (1907).
DUPREY, H., Trypsin in Epithelioma of Larynx, New Orleans Med. and Surg. J., July (1907).
CURTEFIELD, A., Trypsin Treatment in Malignant Disease, Brit. Med. J., 31, blz. 10 (1907).
MARSDEN, A., Carcinoma of cervix Uteri successfully treated with Pancreatic Ferment, General Pract., 22, (1908).
MEGGITT, H., The Pancreatic Treatment of Cancer, General Practit., 21, 3 (1908).
CLEAVES, H.M., Pancreatic Ferments in the Treatment of Cancer and their Role in Prophylaxis, Medical Rec., 70, blz. 91 (1906).
SHAW Mc KENZIE, J., Trypsin and Erepsin in Cancer, Brit. Med. J., 1, blz. 715 (1906).
LITTLE, W.L.A., Case of Epithelioma of Cheek treated with Trypsin, J.A.M.A., 172, 23.5.(1908).
BAINBRIDGE, W.S., Trypsin in Cancer, a Preliminary Statement, N.Y. Med. J., 85, blz. 385 (1907).
(8) HALD, P.T., Comparative Researches on the Tryptic Strenght of Different Trypsin in Preparations and their Action of the Human Body, Lancet 2, 1371 (1907).
(9)  PUSEY, W.A., Trypsi- in Malignant Growths, J.A.M.A., 46, 1763 (1906).
(10) BLUMENTHAL, F., Innere Behandlung und Fürsorge bei Krebskranke, Z. Krebsforsch., 10, 137 (1910).
(11) SUMNER, J.B., J. Biol. Chem., 69, blz. 43 (1926).
(12) NORTHROP, J.H., J. Gen. Physiol., 13, 739 (1924/1930).
(13) z. hoofdstuk over bromelaine, blz. ***
(14) De celmembraan van de kankercel bestaat (zoals trouwens de embryonaalcelmembraan) uit een glycoproteïnelaag die de kankercellen afschermen tegen de lichaamseigen afweer. Naar DVORAK et al. (1979) is deze beschermlaag hoofdzakelijk samengesteld uit fibrine. Door de in kankercellen aanwezige gebrekkige fibrinolyse te stimuleren (aan de hand van proteolytische - proteïneverterende - enzymen) zal men de afbraak van die beschermlaag van de kankercel bewerkstelligen.
De proteolytische enzym die hiervoor ingezet wordt is niets anders dan de hoger beschreven "lösungsferment" en de fibrine-beschermlaag de "schutzfaktor".
Dit was reeds in 1972 door H. NIEPER gesuggereerd en bewezen an de hand van de Heitan-fibrinetest.
DVORAK, H.F., DVORAK, M.M., MANSEAU, E.J., WIBERG, L., CHURCHILL, W.H., Fibrin Gel Investment Associated with Line 1 and Line 10 Solid Tumor Growth, Angiogenesis and Fibroplasia in Guinea Pigs. Role of Cellular Immunity, Myofibroblasts, Microvascular Damage, and Infarction in Line 1 Tumor Regression, J. Nat'l Cancer Inst., 62 (5), blz. 1459-1472 (1979).
NIEPER, H., z. hoofdstuk over Bromelaine, blz. ***
(15) FREUND, E., Neuere Karzinomprobleme, Wien. Med. Wschr., 12 (1934).
(16) FREUND, E., Kohlenhydratstoffwechsel und Geschwulstwachstum, Krebsarzt, 10 (1947).
(17) KRETZ, J., Wien. Klin. Wschr., 6 (1936).
KRETZ, J. et al., Wien. Klin. Wschr., 47 (1935).
(18) KEIN, A.E., Wien. klin. Wschr., 52 (1935).
(19) CHRISTIANI, A., Beiträge zur Chemie des Carcinoms, Z. Krebsforsch., 47, blz. 176 (1938).
CHRISTIANI, A., Z. Krebsforsch., 41, blz. 445 (1935).
CHRISTIANI, A., Z. Krebsforsch., 42, blz. 25 (1935).
CHRISTIANI, A., Enzymologia 28, blz. 17 (1965).
CHRISTIANI, A., Enzymologia 28, blz. 235 (1965).
CHRISTIANI, A., Enzymologia 29, blz. 11 (1965).
CHRISTIANI, A., Biochemische Aufklärung des Freund-Neubergschen Phänomens, in Enzymologia, 34, blz. 153 (1967).
(20) ***
(21) ***
(22) ***
(23) ***
(24) z. hoger blz. ***
(25) WOLF, M. en RANSBERGER, K., Enzymtherapie, Wilhelm Maudrich Verlag, Wien, 1970.
(26) SAGIROGLU, N., Evaluation of the TMK-101, "Türk", Polychrome Staining Method in Catamorphological Cancer Research, Mar. J. Obstetr. a. Gyn., 82, 6 (1961).
(27) WOLF, M. en RANSBERGER, K., Wirkung Proteolytischer Enzyme auf die gegenseitige Wachstumbeeinflussung von normalem und Tumorgewebe, Arch. f. Geschwulstf. 31, blz. 317 (1968).
(28) HOELZL WALLACH, D.F., New Engl. J. Med. 280/14, blz. 761 (1968).
(29) z. voetnoot (27).
(30) z. hoger blz.*** voetnoot 14.
(31) BAYERLE, H., Personal comm. (1969, 1970).
(32) THORNES, R.D., J. Irish Med. Assoc., 62, blz. 426 (1969).
 
 

3. BROMELAINE.
 

[Bronnen: Rilling 108]
 
 

MARTIN, EHRENEICH en ASBELL konden aan de hand van bevindingen in de Research Division van de Camden Country eneral Hospital, Lakeland, New Jersey (VSA) de werking van het proteolytische enzym uit ananas (bromelaine) aantonen (1). Over de werking van ananas in kanker hebben NIEPER (2) en TAUSSIG en GOLDSTEIN (3) gepubliceerd. Andermaal kon RILLING (4) met zijn biotonometrie de werkzaamheid van de bromelaine aantonen.
 

(1) MARTIN, G.J., EHENREICH, J., ASBELL, N., Bromelaine-Proteasen aus Ananas mit antioedematoeser Wirkung. Ztschr. "Experimental Medicine and Surgery", vol. 20, 3, 1962.

(2) NIEPER, H.A., Bromelain in der Kontrolle malignen Wachstum. Krebsgeschehen, H. 1/1976.

(3) TAUSSIG, St. J.,, GOLDSTEIN, N., Bromelainwirkung beim Karzinom. Krebsgeschehen, H. 4/1976.

(4) RILLING, S., o.c., p. 108.
 

Bromelaine is een proteolytisch enzym afkomstig uit de ananasplant (ananas sativus) en bevat proteasen, glucosamidasen, zure fosfatasen, peroxydasen en andere organische stoffen.

Het werd in 1876 in Brazilië ontdekt door het echtpaar plantkundigen PECKOLD.

De eerste die eraan dacht Bromelaine in kankers therapeutisch te gebruiken, was Guy GERARD (1) die na een jarenlange ervaring tot bepaalde bevindingen was gekomen, die later door anderen klinisch zouden worden bevestigd.

Zo stelde hij het gebruik voor van hoge doses Bromelaine (600 mg p. dag) omdat hij daarmee en op lange termijn (een tiental weken) de beste klinische resultaten had bekomen. Dit werd nadien (in 1978) door MORITA et al. (2) en NIEPER (3) bevestigd.

Het is trouwens de Duitse arts Hans NIEPER die na de moord op GERARD (door een geesteszieke patiënt) de onderzoekingen over Bromelaine heeft voortgezet, en in zijn Nieper Regimen (4) heeft opgenomen. De reeds hoge dagdosissen van GERARD heeft hij nog aan de hand van zijn eigen klinische bevindingen verviervoudigd.
 

Werkingswijze.

Over de bromelaine zijn reeds een 400-tal wetenschappelijke publicaties verschenen in de vaklitteratuur, waarin de succesvolle Bromelaine-therapie voor allerlei ziekten wordt uiteengezet.

Daar we hier te doen hebben met een plantaardig proteolytisch enzym, die zoals hoger (5) reeds gezien, door fibrinolyse de fibrinebeschermlaag van kankercellen afbreekt, kunnen we voor de werkingswijze als zodanig verwijzen naar wat wij hoger over de proteïneverterende enzymen schreven (5).

Naast deze directe invloed op het kankergebeuren, eigen aan de proteolytische fermenten, is bij de bromelaine een onrechtstreeks antikanker vermogen onderkend. De bromelaine is een selectieve remmer van de prostaglandine (verder PG).

PG zijn hormoon-like substanties in gans het lichaam geproduceerd en met een belangrijke invloed in ziekte en gezondheid. Ze zijn afgeleid uit arachidonische zuren, een onverzadigd vetstof met 20 C-atomen, dat het product is van de lichaamsfosfolipiden o.i.v. de (enzym) fosfolipase A2.

Dat arachidonisch zuur wordt verder door cycloöxygenase veranderd in vluchtig intermediair prostaglandine-endoperoxyden, t.w. prostaglandine G2 en prostaglandine H2.

Deze laatste worden verder getransformeerd naargelang de synthetase (TxA2-synthetase of prostaglandine I2-synthese) in resp. meer standvastige Thromboxaan A2 (TxA2), PG E2 en PG F2 enerzijds en prostacycline PG I2, Pg E1 anderzijds.

Structureel verschillen beide PG-groepen (t.w. TxA2, PG E2, PG F2 en de PG I2, PG E1) niet. Hun fysiologische-actie is echter tegengesteld: naargelang hun (tegengestelde) actie, worden ze pro-inflammatoir (TxA2, PG E2, PG F2) en anti-inflammatoir (PG I2, PG E1) prostaglandine genoemd.

In een gezond lichaam zijn beide groepen aanwezig en een evenwicht tussen beide types PG kenmerkt juist dat gezond lichaam.

Bij trauma of overmatig, langdurige stress (zowel lichamelijk als emotioneel) of bij chronische aandoeningen zoals kankers, artritis, edm. zal het aantal pro-inflammatoire PG sterk stijgen en het equilibrium verstoren tussen beide PG-soorten.

Bij ziekte zullen de abnormaal talrijke ontstekingverwekkende PG door remming van de enzymale adenylcyclase het peil van de cAMP in de cel doen dalen.

Deze cAMP controleert nu juist de normale celgroei door celdeling.

Wanneer het cAMP een kritisch laag (drempel)peil passeert (zoals dit het geval is bij kankers) zal de cel ongecontroleerd beginnen te woekeren.
Bij kanker zal het cAMP peil ook aangetast worden door een ander ferment uit de cel, nl. de cAMP-fosfodiesterase, die de cAMP afbreekt tot niet-actieve adenosynemonofosfaat (AMP). Binnen de (normale) cel bestaat dus eveneens een evenwicht tussen twee fermenten, nl. adenylcyclase (die de cAMP synthese stimuleert) en de fosfodisterase (die cAMP afbreekt tot AMP).

In kanker is door BRAUN (6) et al. aangetoond dat (naast het laag cAMP peil) er een hoog fosfodiesterase is, zodat het evenwicht in de cel verstoord is.

Concluderend mag men stellen dat bij verbroken PG-evenwicht en ergo bij hoog ontstekingsbevorderende PG er tevens een intracellulair evenwicht verbroken wordt tussen adenylcyclase en fosfodiesterase, waarbij het peil van deze laatste stijgt en de productie van lichaamseigen cAMP daalt en alzo celwoekering straffeloos plaatsgrijpt. Een verder gevolg van het verstoord PG-equilibrium is dat naar de bevindingen van PLESCIA et al. (1975) (7) de stijgende ontstekingsbevorderende PG E2 immunosuppressieve eigenschappen zou hebben en volgens JAFFE (1974) (8) hypercalcimie bevordert.

Zolang die twee evenwichten verstoord blijven in het voordeel van pro-inflammatoire PG en fosfodiesterase zal de infectietoestand aanhouden en de (relatief kleine aantallen aanwezige) ontstekingsremmende PG en de cAMP kunnen slechts de genezing bevorderen als het aantal ontstekingsbevorderende PG en fosfodiesterase dalen.

Het is hiet dat Bromelaine komt bij kijken. Door selectief te ageren op het niveau van de thromboxaan-synthese, blokkeert het de productie van de pro-inflammatoire PG zonder enige invloed uit te oefenen op het niveau van de PG I2-synthese.

De productie van de ontstekingsbevorderende PG daalt dus tot het normale peil, zoals VANE -9) bewezen heeft, zodat het organisme via de ontstekingswerende PG zijn (zelf)genezingsfunctie kan inzetten.

FELTON (10) ziet het anders. Naar zijn mening stimuleert Bromelaine selectief de synthese van anti-inflammatoire PG, zodat het evenwicht op die wijze hersteld wordt.

LIVIO et al. (11) hebben aangetoond dat Bromelaine de eigenschap bezit om de werking van plasmine op fibrinogenen in het bloed na te bootsen. Als de plasmine- of plasminogenenproductie geremd is, kan bromelaine hetzij plasminogene substanties activeren of plasmine nabootsen.

In dat geval ontbindt de bromelaine fibrinogenen in dezelfde actieve peptiden die normaal door plasmine worden geproduceerd. Het zijn die peptides die volgens LIVIDO et al. (12) instaan voor het evenwicht tussen de verschillende PG.

Hoe dan ook komt het hier op neer: de bromelaine remt (of stimuleert) selectief bepaalde PG en herstelt het evenwicht tussen de ontstekingsremmende- en ontstekingsbevorderende PG.

Bovendien zal de bromelaine door herstel van het PG-evenwicht, tevens het adenylcyclase-fosfodiesterase-evenwicht en ergo het cAMP-peil normaliseren.

Ook zullen de immuno-suppressieve en calciumvijandelijke eigenschappen van pro-inflammatoire PG (i.e. PG E2) genormaliseerd worden.

Verdere gunstige "neven" effecten van bromelaine zijn: het remmen van de aggregatie van bloedplateletten, die in kankers zo dikwijls bloedklonters teweegbrengen (13), het tegengaan van de calciumdefficiëntie, en het vergroten van de doordringbaarheid van weefsel voor geneesmiddelen zoals reeds in 1965 door BODI (14) aangetoond.

Deze laatste eigenschap laat toe om met kleiner doses geneesmiddelen, een zelfde effect te bereiken dan hogere dosissen in geval de weefselpermeabiliteit niet op voorhand (met bromelaine) vergroot is.
 
 
 
 

Dr.  Henri  ROSENBERG, LL.D., Ph.D., N.D.
Doctor of Naturopathy
Permanent Member of the British
Guild of Drugless Practitioners.


Voetnoten
 

(1) GERARD, G., Anti-Cancer Effect of Bromelaines, Aggressologie, 13, blz. 261-274 (1974).
(2) MORITA, A.H., TAUSSIG, S.J., JOYO, B.F., ABAD, M.A., HOKAMA, Y., Inhibition of Human Platelet Aggregation in vitro with Bromelain, a Pineapple Extract.
78th Annual Meeting of the American Society of Microbiology, Las Vegas, Nevada, 5, blz. 108 (1978).
(3) NIEPER, H.A., A Program for Cancer Therapy, Krebsgeschehen, 6 (5), blz. 124-127 (1974).
NIEPER, H.A., Cancer Congress, Baden-Baden, (1975).
NIEPER, H.A., Bromelaine in the Control of Malignant Growth, Krebsgeschehen, 1, blz. 9-15 (1976).
NIEPER, H.A., Nontoxic and Immunological Long-Term Therapy of Cancer in Practice, Medica 78. Annual Meeting of the German Medical Society (1978).
NIEPER, H.A., The Nontoxic Long-Term Treatment of Cancer: Necessity, State of the Art, Trends, J. Internatl. Acad. Trev. Med., VI-(1), blz. 41-70 (1979).
NIEPER, H.A., Personal Communication (1979).
(4) Voor het Nieper-regimen, zie blz. ***
(5) Voor toelichting over proteolytische enzymen verwijzen wij naar hfdst. ***, blz. ***
(6)BRAUN, W., SHIOZAWA, C., Cyclic AMP and phosphodiesterase Levels in Tumor Cells, in KAHN, R., LANDS, W.E., ed., Prostaglandins and Cyclic AMP, New York Acad. Press, blz. 21-23 (1973).
(7) PLESCIA, O.J., SMITH, A.H., GRINWICH, K., Subversion of the Immune System by Tumor Cells and Role of Prostaglandins, Proc. Natl. Academy of Science, USA, 72 (5), blz. 1848-1851 (1975).
(8) JAFFE, B.M., Prostaglandins and Cancer. An Update. Prostaglandins 6 (6), blz. 453-461 (1974).
(9) VANE, J., Personal Communication (1974).
(10) FELTON, G.E., Hypothesis to Explain the Pharmacological Responses to Pineapple Enzymes (Bromelain), Hawai Medical Journal, 36 (2), blz. 39-47 (1977).
(11) LIVIO, M., BERTONI, M.P., DEGAETANO, G., DONATI, M.B., Effect of Bromelain on Fibrinogen Level, Prothrombin Complex Factors and Platelet Aggregation in the Rat, Drugs Exp. Clin. Res., 4 (1), blz. 49-53 (1978).
(12) ibid.
(13) HEINICKE, R.M., VAN DER WAL, L., YOKOYAMA, M.M., Effect of Bromelain on Human Platelet Aggregation, Experientia, 28, blz. 844-845 (1972).
MORITA, A.H., et al., o.c. blz. *** voetnoot ***
(14) BODI, T., Effects of Bromelains on Tissue Permeability to Antibiotics and Pain Response to Bradykinin: Double Blind Studies on Human Subjects, Clin. Med., 73, blz. 61-65 (1965).
 


 
Homepage GOEDKOSJERâ
Overpeinzingen
Homepage Consistoire Benelux.
Alternatieve kankertherapiën
English Articles
Homepage 
Dr. H. Rosenberg